Blog



De hemelpoort

Ik heb nog nooit zo nagedacht over de Hemelpoort. Hoe het er zou zijn, wie ik tegenkom, wie mij er ontvangt... Maar volgens een bezoeker van éen van de uitvaarten waar ik sprak, is er geen mens die tegen me praten zal: áls ik er überhaupt al kom.

 

Ik word gevraagd om te spreken op het afscheid van een oudere vrouw. Ik heb een fijn gesprek met haar kinderen en hun partners. Na ons gesprek ga ik aan de slag met het verhaal. Moeder en oma was een lieve hartelijke vrouw, ze maakte veel mee in haar leven en zette bij alles wat ze deed altijd haar gezin op de eerste plaats. Als mijn verhaal geschreven is, ben ik tevreden. Het is wat mij betreft goed gelukt om dat gevoel in het verhaal te laten terugkomen. De familie vertelt dat ze na het lezen van het verhaal de tranen over de wangen voelden stroomden. Voor mij een bevestiging dat het goed ´binnenkomt´ als het je zo raakt.

 

Dan is de dag van de uitvaart. Na afloop kunnen de mensen de familie condoleren en is er de gebruikelijke koffie en het koekje. Mensen praten nog wat na en schudden de uitvaartondernemer en mij de hand bij het weggaan. Sommige mensen zeggen alleen gedag, anderen maken een praatje en bedanken me voor het verhaal. Ze vertellen dat het leven als een film voorbij trok. Ze kenden soms delen uit haar leven, omdat ze bijvoorbeeld pas later in haar leven zijn ‘ingestapt’. Maar nu vallen puzzelstukjes in elkaar. Het plaatje is compleet. Ze hebben met een lach en een traan geluisterd.

 

Maar dan komt er een man op me af. Zijn ogen lijken te branden en hij geeft me een hand. Ik schrik van zijn houding. Hij zegt ‘dat ik woorden heb laten liggen’. Ik ben meteen alert. Ik begrijp het niet, ik weet zeker dat ik me niet versproken heb, geen alinea’s heb overgeslagen…Wat bedoelt hij met dat ik woorden heb laten liggen? Hij zegt nog iets dat ik niet begrijp. Hij ziet er goed uit, mooi in pak, mooie das, netjes verzorgd. Maar dat is verraderlijk. Meteen schiet door mijn hoofd….. Doe beleefd, blijf netjes, misschien is hij wel vergeetachtig aan het worden. Is hij erg in de war, dan kan hij er vast niets aan doen.

 

‘Moj je us luusteru’ zegt hij… En ik luister. Ik ben namelijk heel erg benieuwd waar dit gesprek naar toe gaat. Ik krijg te horen dat ik: woorden heb laten liggen, dat ik mijn vinger had moeten verheffen, dat ik de mensen had moeten wáarschuwen’. Hij zegt zo veel teksten achter elkaar dat ik inmiddels doorheb waar het over gaat… Ze zijn niet fraai voor mij. Het is Hel, het is Verdoemenis. Het is Vagevuur. Ik ben geen snip voor mijn neus waard.

Dat mag hij vinden. Maar ik vroeg hem niet dit met mij te delen.

 

Ieder heeft zo zijn taak tijdens een uitvaart. De mijne was een levensverhaal te vertellen zoals de familie dat wilde. Woorden van Einde. Woorden van een nieuw begin. Omdat die plechtigheid weer het begin was om het gemis van hun moeder, schoonmoeder en oma een plekje te geven in hun leven. En dat wilden ze op déze manier doen. En als ze dat anders hadden gewild dan hadden ze zeker een dominee, een pastoor of een andere geestelijke uitgenodigd.

 

Ik leg de man geduldig uit dat het de wens van de familie is om op déze wijze afscheid te nemen. Als hij wil klagen moet hij dáar naar toe gaan. Ik wens de man een fijne middag en schud hem de hand… Ik krijg nog een schop na… En hij vraagt zich hardop af of... áls ik ooit bij de Hemelpoort kom, of het dan wel goed met me komt….

 

Ik heb het niet gedaan, maar ik had hem zo graag vier woorden willen zeggen. ’Gij zult niet oordelen’.

 

Fotocredits: Bob en Linda van BobPhotos uit Tholen