De hemelpoort

Ik heb nog nooit zo nagedacht over de hemelpoort. Wie ontvangt mij daar? Hoe is het daar, wie kom ik tegen? Volgens een bezoeker van een van de uitvaarten waar ik sprak, is er geen mens die tegen me praten zal, áls ik er überhaupt al kom.

Ik spreek tijdens het afscheid van een oudere vrouw. Ik heb een fijn gesprek met haar kinderen en hun partners. Na ons gesprek ga ik aan de slag met het verhaal. De oudere mevrouw maakte veel mee in haar leven. Ze bleef altijd lief en hartelijk. Ze werd moeder en oma en ze zette haar gezin altijd op de eerste plaats. Na heel wat uren schrijven is het wat mij betreft goed gelukt om het goede gevoel over hun zorgzame moeder en oma in het verhaal te laten terugkomen. De familie vertelt, dat ze na het lezen van het verhaal de tranen over de wangen voelden stroomden. Voor mij een bevestiging dat het goed binnenkomt, als het je zo raakt.

Dan is de dag van de uitvaart. Na afloop kunnen de mensen de familie condoleren en is er de gebruikelijke koffie met koekje. Mensen praten nog wat na en schudden de uitvaartondernemer en mij de hand bij het weggaan. Sommige mensen zeggen alleen gedag, anderen maken een praatje en bedanken me voor het verhaal. Ze vertellen dat het leven als een film voorbij trok. Ze kenden soms delen uit haar leven, omdat ze bijvoorbeeld pas later in haar leven zijn ingestapt. Maar nu vallen puzzelstukjes in elkaar. Het plaatje is compleet. Ze hebben met een lach en een traan geluisterd.

Dan komt er een man op me af. Zijn ogen lijken te branden en hij geeft me een hand. Ik schrik van zijn houding. Hij zegt: ‘Jij? Jij hebt woorden laten liggen.’ Ik ben meteen alert. Ik begrijp het niet, ik weet zeker dat ik me niet versproken heb, geen alinea’s heb overgeslagen, geen bladzijdes heb vergeten. Wat zou hij in hemelsnaam bedoelen?

‘Moj je us luusteru,’ zegt hij… En ik luister. Ik ben namelijk heel erg benieuwd waar dit gesprek naartoe gaat. Ik krijg te horen dat ik de woorden heb laten liggen, dat ik mijn vinger had moeten heffen, dat ik de mensen had moeten wáárschuwen. Hij zegt zoveel teksten achter elkaar dat ik inmiddels doorheb waar het over gaat… Ze zijn niet fraai voor mij. Het is Hel, het is Verdoemenis. Het is Vagevuur. Ik ben geen knip voor mijn neus waard. Uit alles blijkt: deze meneer is duidelijk niet gecharmeerd van mijn rol tijdens de begrafenis. En dat mag hij vinden.

Ieder heeft zo zijn taak tijdens een uitvaart. De uitvaartondernemer zorgt voor de verzorging, het vervoer, de kaarten, de eventuele bloemen en vele administratieve handelingen. Mijn rol is het vertellen van een levensverhaal. Op de manier zoals de familie dat wil. Het was het einde van het leven van hun geliefde moeder, oma, overgrootmoeder, tante en buurvrouw. De plechtigheid was een afsluiting én luidde een nieuw begin in. Namelijk een leven zonder hun dierbare. Haar afscheid wilden ze op de manier beleven die we nu met elkaar gekozen hadden. Met muziek, met gesproken woorden van mij en de kleinkinderen. Dat ik de plechtigheid mocht leiden, was het verzoek van de familie. En als ze dat anders hadden gewild, dan hadden ze zeker een kennis, vriend of geestelijke gevraagd.

Ik leg de man geduldig uit dat het de wens van de familie is om op déze wijze afscheid te nemen. Als hij wil klagen, moet hij naar hen toe gaan. Ik wens de man een fijne middag en schud hem de hand… En dan krijg ik nog een schop na: hij vraagt zich hardop af of, áls ik ooit bij de hemelpoort kom, of het dan wel goed met me komt.

Ik heb het niet gedaan, maar ik had hem zo graag vier woorden willen zeggen: ’Gij zult niet oordelen’.

Share on facebook
Facebook
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on linkedin
LinkedIn